Rehobothschool in Kootwijkerbroek
Woorden vastleggen
Niet alle leerlingen van de reformatorische basisschool Rehoboth in Kootwijkerbroek krijgen van huis uit een grote woordenschat mee. Die moeten zij dus op school verwerven. ‘De leerkracht moet er altijd alert op zijn dat kinderen woorden niet kennen’, zegt adjunct-directeur Dick Both. Leerkrachten moeten daarbij goed vastleggen welke woorden ze aanleren.
De reformatorische basisschool Rehoboth in Kootwijkerbroek staat in een agrarische omgeving. Van de vijfhonderd leerlingen komt ongeveer de helft uit een gezin met lager opgeleide – autochtone – ouders. ‘Dit heeft gevolgen voor de aandacht die we als school moeten geven aan de taalontwikkeling’, zegt Dick Both, adjunct-directeur van de Rehobothschool. ‘Dat was voor ons mede aanleiding om deel te nemen aan de taalpilot.’
BOV-project De school heeft veel ervaring met het omgaan met taalachterstanden, ondanks het gegeven dat het aantal gewichtenleerlingen langzaam maar zeker afneemt. ‘De afgelopen tien jaar zetten we extra in op taal.’ vertelt Both. Zo hebben we meegedaan aan het BOV-project*) en dat heeft vooral in groep 3 tot veel meer taalactiviteiten geleid. Deelname aan de taalpilot is voor ons een kans het taalbeleid integraal aan te pakken, en gebruik te maken van de supervisie en monitoring.’
Uitwisseling De Rehobothschool is een éénpitter, er zijn geen collega-taalpilotscholen. Maar het collegiale overleg of de bovenschoolse scholing die bij andere pilots plaatsvindt, wordt niet gemist. Both: ‘We hebben een groot team, het management bestaat uit vijf mensen. Van ieder leerjaar zijn twee groepen, en we groeien nog. Dus de leerkrachten hebben een collega die dezelfde vraagstukken tegenkomt.’ Het taalonderwijs komt wel ter sprake op overleggen van het samenwerkingsverband, en daar kan de Rehobothschool laten zien hoe zij binnen de taalpilot aan het werk zijn. Ook de landelijke conferenties die de Pilot Taalbeleid Onderwijsachterstanden organiseert zijn een plek waar Both en intern begeleider / taalcoördinator Arjan van Hell informatie uitwisselen.
Speerpunt Arjan van Hell heeft een dagdeel per week specifiek voor het taalbeleid beschikbaar. Hij stelt het taalbeleidsplan op en zorgt voor de implementatie ervan. ‘Het speerpunt was aanvankelijk Begrijpend Lezen. Maar aan de hand van de feedback die we op het taalbeleidplan kregen, pakken we ook het Technisch Lezen en Woordenschatonderwijs goed aan.
Vaste woorden In groep 1 en 2 wordt gebruik gemaakt van de VVE-methode Doe meer met Bas. Leerkrachten bieden rond de thema’s van Bas bepaalde woorden aan. ‘Deze thema’s zijn verplicht. Daar hoort een vaste groep woorden bij, die de leerkracht op een moment dat het haar het beste uitkomt, aanleert.’ De leerkrachten signaleerden dat ze behoefte hadden te kunnen ingaan op gebeurtenissen in het leven van de kinderen, bijvoorbeeld huwelijk of geboorte. Daarom zijn er ook ‘losse’ thema’s gekomen. ‘Maar ook bij deze losse thema’s horen vaste woorden’, vertelt Van Hell. ‘Een leerkracht in groep 2 heeft als los thema bijvoorbeeld ‘letterwinkeltje’. Dan leert zij de kinderen woorden als letter, woord, zin, boek, kaft van een boek, rug van een boek’.
Programmagericht ‘We zijn lang sterk programmagericht geweest’, vult Both aan. ‘Dat bracht het BOV-project met zich mee. Maar er is een landelijke tendens om in de groepen 1 en 2 meer ontwikkelingsgericht onderwijs te geven. Dat levert spanning op met het programmagerichte onderwijs. Gezien de populatie ligt een meer programmagerichte aanpak van het woordenschatonderwijs voor de hand, maar de opvatting van de leerkrachten is zeker zo belangrijk. De leerkracht moet inzien dat een gerichte aanpak nodig is, ook bijvoorbeeld bij fonemisch bewustzijn.’ De kleuters in groep 2 kennen nu elf tot dertien letters, en nog geen vijftien. Van Hell: ‘We gaan samen met de leerkracht naar manieren zoeken om letters speels aan te bieden.’
Technisch Lezen In de groepen 3 en 4 staan Technisch Lezen en woordenschat volop in de schijnwerpers. ‘Maar eigenlijk doen we Technisch Lezen in de hele school’, zegt Van Hell. ‘Kinderen die een D of E scoren in groep 3 en 4 worden apart genomen door de onderwijsassistent. In de groepen 5 tot en met 8 krijgen zwakke lezers gericht ondersteuning. De RT-er neemt kleine groepjes van vier tot twaalf kinderen apart om met ze te RALFI-lezen**).
Taalfontein Fasegewijs wordt er een nieuwe taalmethode ingevoerd, om te beginnen in groep 3 en 4. ‘In groep 5 tot en met 8 werken we nog met Taal Actief. In groep 3 en 4 is inmiddels Taalfontein ingevoerd’, vertelt Both. ‘Hierin is ook een leesmethode geïntegreerd, wat bij Taal Actief niet zo was. Van Taalfontein is ook een versie voor de groepen 1 en 2.’ Andere voordelen van Taalfontein: de aanpak sluit aan bij BOV, er is aandacht voor woordenschat, er zijn veel leesboekjes bij, er zijn veel mogelijkheden voor differentiatie en het biedt veel materiaal voor zowel zwakke als zeer goede lezers. ‘Inhoudelijk sluit het aan bij onze opvattingen als reformatorische school, dat vinden we ook prettig’, zegt Both. ‘Maar de kwaliteit staat natuurlijk voorop.’
Woordenschat Both en Van Hell leggen beide klassenbezoeken af. Woordenschatonderwijs is iets wat de leerkracht ‘tussen de oren’ moeten krijgen, merken zij. ‘Het gaat erom woordenschatvergroting binnen het dagelijks onderwijs gestalte te geven, ook als je met een zaakvak bezig bent’, zegt Van Hell. ‘De leerkracht moet erop bedacht zijn dat veel woorden onbekend zijn voor onze leerlingen. Thuis worden voorwerpen vaak niet benoemd, dan wordt gezegd: “Pak dat ding eens”. We zien mooie dingen gebeuren rond woordenschat, zoals woorden rond een thema op het bord, of een woordweb aan de muur.’
Toetsen Op teamvergaderingen komen de observaties van Both en Van Hell systematisch aan de orde. Both: ‘We blijven erop hameren dat je op alle momenten woordenschatonderwijs geeft, en dat het nodig is te checken of woorden bekend zijn.’ Ook meer formeel wordt de woordenschat getoetst. Van Hell: ‘We gebruiken de toetsen bij de taalmethode. We zijn nu ook begonnen de methodeonafhankelijke citotoets af te nemen, zodat we die als nulmeting kunnen inzetten.’
Leesonderwijs Van Hell heeft voor het opstellen van het taalbeleidplan het taalonderwijs geanalyseerd. Eén van de aandachtspunten was het leesonderwijs in de groepen 7 en 8. ‘In groep 5 hebben we goede resultaten, meer dan vijftig procent scoort een A. Dat zakt tot twintig procent in groep 8.’ De oorzaak was dat de leerkracht in groep 5 systematisch aandacht besteedt aan leesstrategieën. De leerkrachten in groep 7 en 8 zetten de leerlingen meer zelfstandig aan het werk. ‘Natuurlijk moeten kinderen in 7 en 8 zelfstandig leren werken’, zegt Van Hell, ‘maar het blijft ook nodig om samen een tekst te doorgronden.’
Tweedaagse Both en Van Hell hebben de opbrengsten van de landelijke taalpilot-conferentie in oktober met het team besproken. Onderlinge uitwisseling binnen het team is heel belangrijk. ‘We kunnen wel samen een plan maken, maar het moet van iedereen zijn’, zegt Both. Om die reden is besloten om de jaarlijkse tweedaagse conferentie, waarbij het gehele team twee dagen samen in een conferentieoord doorbrengt, in het teken van taalonderwijs te zetten. ‘We hebben Kees Vernooy bereid gevonden een dag met ons team na te denken over het taalbeleid en samen met ons het programma voor te bereiden’, zegt Both.
Beleidsmatig Duidelijke resultaten zijn er na een half jaar taalpilot nog niet te melden. ‘We zijn nu vooral beleidsmatig bezig’, zegt Both. ‘Maar wat je ziet is dat het meer gaat leven in de school. Taal wordt ons schoolbrede speerpunt.’ In het taalbeleidplan zijn hoge doelen geformuleerd. ‘Voor Technisch Lezen willen we dat alle kinderen in groep 3-8 minstens C scoren.’
Voorschool Voor de ouders wordt er in de loop van het schooljaar op een van de ouderavonden aandacht geschonken aan het taalonderwijs. ‘Ouders weten al dat taal op deze school heel belangrijk is. We hebben ook een voorschool. Dat was in het begin wennen, maar nu komt ruim negentig procent van de toekomstige leerlingen naar de voorschool.’ De Rehobothschool organiseert ook uitleenmiddagen, waarin ouders prentenboekjes en dvd’s kunnen lenen om samen met hun kinderen taal te oefenen.
Nieuwe leerkrachten Een aandachtpunt is het ‘borgen’ van de ontwikkelingen. De leerkrachten zijn over het algemeen jong – Both en Van Hell horen als dertigers bij de ouderen – en nemen vaak geheel of gedeeltelijk afscheid bij huwelijk of het stichten van een gezin. Dat betekent dat er ieder jaar drie, vier of vijf nieuwe leerkrachten moeten worden ingewerkt. ‘Daar hebben we een goed begeleidingsplan voor’, zegt Both. ‘Daarin wordt ons taalonderwijs ook meegenomen. Daarom is ook erg belangrijk dat wordt vastgelegd wat er gebeurt, vooral in de groepen 1 en 2, waar je zonder methode werkt. We moeten bijvoorbeeld goed vastleggen welke thema’s en woorden er zijn aangeleerd.’
Succes De belangrijkste succesfactor is wel het draagvlak in de school, zeggen Both en Van Hell. Both: ‘De collega’s praten erover, vertalen het naar hun eigen situatie in de klas. Dat alleen al levert kwaliteit op.’ Daarnaast is het belangrijk dat er tijd en middelen zijn om leerkrachten te ondersteunen bij het invoeren van nieuwe aanpakken. Tenslotte de monitoring. Van Hell: ‘De laatste twee jaar zijn we systematisch gegevens gaan verzamelen. Die gaan we uitwerken. Dan kunnen we echt gaan sturen op leerlingresultaten.’
*) BOV: Beter Omgaan met Verschillen bij het aanvankelijk leren lezen. Dit project werd aangestuurd door Kees Vernooy. **) RALFI: een motiverende methodiek om lezen te verbeteren. R: Repeated (herhaling van dezelfde tekst), A: Assisted (voorlezen, voorzeggen), L: Level (relatief moeilijke teksten aanbieden), F: Feedback (een fout meteen verbeteren), I: Interactie (praten over de inhoud van de tekst).
Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden, maart 2008
|
|