Basisonderwijs  
Taalpilots
Taalprojecten in Drachten

Leescentrum Drachten Alle knip- en kleuroefeningen eruit
Het leesniveau verhogen is dé doelstelling van de Friese deelnemers aan de projecten Leesinterventie Noord-Nederland, Preventieve aanpak Leesproblemen en Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden. Goed kunnen lezen is belangrijk voor de hele verdere schoolloopbaan van een kind. ‘Veel gedragsproblemen komen voort uit frustratie.’


‘Het leesniveau was te laag, een kwart van de leerlingen haalde de einddoelen van het basisonderwijs niet. Daar wilden we wat aan doen.’ Aan het woord is Roel Eising, coördinator Wsns primair en voortgezet onderwijs in de regio Drachten. Twee jaar geleden nodigde de projectgroep Wsns Plus het samenwerkingsverband uit deel te nemen aan het Leesinterventieproject Noord-Nederland (LIN). In dit project worden scholen ondersteund bij zaken als het kiezen van een goede leesmethode en het gebruik daarvan in de klas, het monitoren van de leerlingresultaten en het professionaliseren van leerkrachten. Daarnaast nemen er vanaf dit schooljaar dertig scholen deel aan het project Preventieve Aanpak Leesonderwijs (PAL) van de educatieve dienst Cedin. Beide projecten duren drie jaar. Acht scholen met veel leerlingen met laagopgeleide ouders nemen bovendien deel aan de Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden en krijgen zo nog drie jaar extra. Bij de aanpak van de leesproblemen in Noord-Oost Friesland zijn vijf schoolbesturen betrokken.

Doelgericht
De doelstelling van het LIN-project is: maximaal vijf procent uitval in groep 4. Het gemiddelde op de deelnemende scholen lag op vijftien procent. ‘Hoge doelen en duidelijke doelen zijn een belangrijke succesfactor van het LIN-project’, zegt Michiel de Wal, intern begeleider op LIN-school de Greate Haersmaskoalle en onderwijsmedewerker van een van de deelnemende besturen. ‘We hebben als voormalig onderwijskansenschool al een aantal zaken doorgevoerd. Het verschil is dat het LIN—project doelgericht met taal bezig is.’ Ook de andere deelnemende scholen zijn blij met de gerichte aanpak. ‘De Bolder valt nogal eens buiten de boot, omdat de populatie gemengder is’, vertelt Klaske Duursma, tot voor kort intern begeleider op De Bolder. ‘We zijn blij dat we meedoen. Onze resultaten bleven ook achter. ’ Een van de deelnemende scholen is SBO it Heechhôf, een school voor speciaal basisonderwijs. Ineke Schouwstra, intern begeleider: ‘Onderzoek wijst uit dat ook sbo-leerlingen goed kunnen leren lezen. Maar onze leesmethode werkte niet, terwijl iedereen heel hard zijn best deed. We hadden echt tips en goede adviezen nodig.’

Drieslag
Volgens Eising gaat het bij goed taalbeleid om een drieslag. ‘Eén: een goede methode. Twee: bij te lage opbrengsten moet de school gericht werken aan verbetering, en zich laten ondersteunen. Drie: een vangnet voor leerlingen die ondanks alle inspanningen dreigen uit te vallen.‘ De meeste LIN-scholen hebben intussen een nieuwe methode aangeschaft. ‘Met Leeslijn boeken we wél resultaat.’ vertelt Schouwstra. De meeste reguliere scholen zijn overgestapt op Veilig Leren Lezen. Ook is de leestijd op alle scholen toegenomen. ‘In De Bolder krijgt groep 3 nu 400 minuten leestijd. In groep 4 lezen ze 180 minuten’, vertelt Duursma. ‘Echte leestijd, we hebben alle verwerkingsoefeningen, alle knip- en plak- en kleuropdrachten eruitgegooid. Dat is de inbreng van het Cedin geweest.’ Het Cedin is de schoolbegeleidingsdienst die samen met het onderwijsadvies- en onderzoekscentrum CPS betrokken is bij het LIN-project. ‘Het LIN-project is een arrangement van scholing dat het CPS verzorgt, begeleiding op schoolniveau door het Cedin, en monitoring door de Hogeschool van Utrecht’, legt Eising uit. ‘Cedin-medewerkers hebben masterclasses gevolgd zodat ook zij verder geprofessionaliseerd zijn. Het hele bed wordt als het ware opgeschud.’ De betrokkenheid van externe deskundigen en onderzoekers is een belangrijke succesfactor van LIN, zeggen De Wal en Eising.

IGDI
Het LIN-project heeft grote gevolgen voor de manier van werken op een school. ‘De kleuterleidsters van groep 1 en 2 stonden eerst terughoudend tegenover letterkennis’, vertelt Duursma. ‘Maar van het LIN-project moesten kinderen in groep 2 minimaal vijftien letters kennen. We kregen veel concrete tips, bijvoorbeeld een muntenbord waarop je per kind zichtbaar maakt welke letters het kent. De kinderen vonden het leuk, dat nam bij de leerkrachten de weerstand weg.’ Draagvlak voor LIN ontstond onder meer door het enthousiasme waarmee CPS-medewerker Karin van de Mortel het project presenteerde. ‘Dat maakte voor mij het werken met LIN op de Bolder een stuk makkelijker’, vertelt Duursma. ‘Wat ook hielp was dat de directie meteen toestemming gaf als ik iets nodig had voor LIN.’ De leerkrachten zijn inmiddels geïnstrueerd in het interactieve gedifferentieerde directe instructiemodel (IGDI). Schouwstra: ‘IGDI is heel basaal: voordoen, samen oefenen, zelf oefenen, enzovoort. Leerkrachten weten dat wel, maar het is goed om dat weer eens heel bewust toe te passen.’ Het IGDI-model wordt inmiddels ook bij andere domeinen gebruikt, zoals bij rekenen.

Leescentrum
Op alle scholen worden groep 1 tot en met 5 driemaal per jaar getoetst en gemonitord. ‘We zien een verschuiving in groep 4 naar meer A, B, en C-resultaten op de Drieminutentoets’,  vertelt De Wal. ‘D- en E-scores zijn nu rond de tien procent, dat is beter dan het landelijk gemiddelde. In groep 5, die niet heeft geprofiteerd van LIN, is de uitval 23 procent.’ De instroom in de LIN-scholen bestaat voor 31 procent uit kinderen met een trage taalontwikkeling. ‘Vroeger verdubbelde het probleem’, zegt Duursma. ‘Had je twee slechte lezers in groep 3, dan had je er vier in groep 4. Nu blijft het bij twee.’ Voor de achterblijvers is een vangnet ingericht, het Leescentrum. Dit is een expertisecentrum van het samenwerkingsverband dat zwakke lezers bijspijkert en leerkrachten bijschoolt in het geven van leesinstructie. Joop Alma, werkzaam bij het Leescentrum, ziet al veel vooruitgang sinds de start van het project. ‘Scholen die Veilig Leren Lezen hebben ingevoerd zijn gemiddeld twee maanden verder in het leesonderwijs. Ook zie je dat leerkrachten de leerlingresultaten analyseren.’ Bij het toetsen bleek bijvoorbeeld dat juist de goede lezers niet vooruitgegaan waren. ‘Blijven oefenen met hardop lezen is nodig voor het verder ontwikkelen van de leesvaardigheid. Het waren de leerkrachten zelf die dat ontdekten’, vertelt Alma. Doordat slechte lezers bij het Leescentrum belanden, is ook na te gaan in hoeverre scholen een goed gebruik maken van de beschikbare expertise, zegt Eising. ‘Als een zwakke school nooit contact heeft met het Leescentrum, of als we van een bepaalde school erg veel leerlingen krijgen, dan valt dat op. Dan kunnen we actie ondernemen.’ Een knelpunt hierbij is dat de besturen terughoudend zijn om druk uit te oefenen op zwakke scholen. De Wal: ‘In hoeverre de scholen autonoom zijn en wanneer het bestuur kan ingrijpen, dat blijft toch een spanningsveld.’

Frustratie
De LIN-aanpak heeft brengt ook dilemma’s met zich mee. ‘Zelf was ik in het begin te sterk resultaatgericht’, vertelt Duursma. ‘LIN focust vooral op de didactiek. Maar om te leren moet een kind ook lekker in zijn vel zitten. De relatie met het kind moeten we niet uit het oog verliezen.’ Ook is de aandacht voor andere thema’s verminderd.  Duursma: ‘Die 400 minuten gaan wel ergens vanaf.’ Eising ziet nog een ander knelpunt. ‘Als je zwaar inzet op taal en lezen doe je dat voor twintig procent van je leerlingen. Misschien moeten we meer doen aan differentiatie.’ Aan de andere kant: goed leren lezen is van het grootste belang voor de schoolloopbaan van een kind. ‘Veel gedragsproblemen in het voortgezet onderwijs komen voort uit de frustratie van leerlingen dat zij niet goed genoeg kunnen lezen om de lessen bij te benen. Een problematische thuissituatie kunnen we veel moeilijker beïnvloeden. We inhoudsopgave kunnen wel zorgen dat kinderen leren lezen.’

Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden, 14 december 2007
© Projectbureau Kwaliteit | Disclaimer | Contact