SBO de Boemerang in Apeldoorn
De Boemerang is een school voor speciaal basisonderwijs met een kleine 200 leerlingen. De school hoort bij het samenwerkingsverband wsns van de openbare scholen. Tien van de 28 scholen van dit samenwerkingsverband doen mee met de taalpilot.
Het samenwerkingsverband is al langer bezig met taal en lezen. Zo is in de afgelopen vier jaar het protocol Dyslexie ingevoerd. ‘We hebben al leesspecialisten, de route tussen de reguliere scholen en de sbo is uitgewerkt, we vormen als sbo een leeskliniek, en we geven ook dyslexie-verklaringen af’, vertelt directeur Anja Duynstee. Zij is ook de coördinator van het samenwerkingsverband.
Resultaatgericht Er is een begin gemaakt met het invoeren van didactische veranderingen als de kleine kring en de lettermuur. ‘Maar met de taalpilot hebben we de kans om meer resultaatgericht te werken’, zegt Duynstee. ‘Bij het invoeren van een nieuw traject ga je niet meteen afrekenen, leerkrachten moeten de tijd krijgen om iets in de vingers te krijgen.’ Maar nu worden er tussendoelen geformuleerd. ‘Ook binnen het SBO moeten we resultaten laten zien.’
Begrijpend lezen Met de taalpilot komen ook meer onderwerpen aan de orde. ‘Begrijpend lezen hadden we nog niet zo scherp, ook woordenschat in de zaakvakken is een aandachtspunt, technisch lezen, ook in de bovenbouw, aanvankelijk lezen, ontluikende geletterdheid, dat alles komt nu zeer gericht aan bod.’
Netwerk Alle taalleesspecialisten van de deelnemende scholen hebben vier keer per jaar een scholingsbijeenkomst onder leiding van het CPS. ‘De helft van de tijd op zo’n bijeenkomst besteden we aan scholing, bijvoorbeeld over technisch lezen, of woordenschatontwikkeling, en de andere helft van de tijd gaan we netwerken en ervaringen uitwisselen.’ Daarnaast komen de taalleescoördinatoren ook zonder het CPS bij elkaar.
Theorie en praktijk De taalleescoördinator belegt op de eigen school bijeenkomsten om de teamleden te scholen en te bespreken hoe de theorie in praktijk gebracht kan worden. ‘De taalleescoördinatoren zijn verantwoordelijk voor het hele pakket: aansturen, collega’s informeren, toetsen afnemen, de resultaten analyseren samen met de leerkracht, bij collega’s in de klas kijken en ze ondersteunen bij het invoeren van nieuwe aanpakken, kortom, het taalleesplan uitvoeren.’ Zij worden daarvoor drie uur per week vrij geroosterd.
Bovenschools De directeuren van de deelnemende scholen hebben contact met elkaar over de taalpilots. Een bovenschoolse unitdirecteur is samen met Duynstee belast met de aansturing van de pilot. Zij houdt het bestuur op de hoogte. Duynstee: ‘We informeren ook de directeuren van de scholen die niet meedoen. Sommigen van hen vonden het jammer dat ze buiten de boot vielen. Zo kunnen ze toch meeprofiteren.’
Ouders Om vooral laaggeletterde ouders te stimuleren, is de school met een cursus ‘goed voorlezen’ gestart. ‘Daar kwamen toch vooral ouders opaf die wat hoger opgeleid zijn’, vertelt Duynstee. ‘Het gaat bij hen meer om vragen over de boekkeuze. Het was zeer succesvol, we zetten het ook zeker door. We moeten ons er nog wel over buigen hoe we ouders die niet goed lezen erbij kunnen betrekken. De welzijnsinstellling organiseert wel een cursus voor laaggeletterde en analfabete volwassenen. We proberen ze naar die cursus te krijgen, maar het is moeilijk om het bespreekbaar te maken.’
15 Letters Volgens het taalplan moeten kleuters vijftien letters kunnen herkennen in groep 2. Sommige kleuterleidsters zien als knelpunt dat niet alle kleuters al bezig zijn met ontluikende geletterdheid. ‘Zeker de leidsters die werken met Kaleidoscoop, dat is zeer ontwikkelingsgericht, hebben er moeite mee. Leidsters die met Piramide werken kunnen met die eis beter uit de voeten.’
Tijd ‘Je hebt tijd nodig om een nieuwe aanpak in te voeren’, stelt Duynstee. ‘Een visie kun je zo vaststellen. Maar als je bijvoorbeeld een kleine kring wilt invoeren, moet je je hele onderwijs omgooien. Dat vergt tijd. Het resultaat is misschien pas over twee of drie jaar zichtbaar.’
Instroom Daarnaast heeft het SBO ook een eigen problematiek. ‘De verschillen tussen kinderen kunnen heel groot zijn’, zegt Duynstee. ‘We hebben ook te maken met gedragsstoornissen, geheugenproblematiek, enzovoort. Bovendien stromen er in groep 3 en 4, maar ook in groep 5 en 6, leerlingen in vanuit het regulier onderwijs. Die hebben dan soms onvoldoende leren lezen om meteen mee te kunnen doen.‘
Succesfactoren Een belangrijke succesfactor is volgens Duynstee dat de taalpilot niet uit de lucht komt vallen, maar een vervolg is op de taallees-aanpak die de school al hanteerde. Ook het feit dat er tien scholen meedoen uit het verband, die elkaar onderling stimuleren, is een belangrijk element. En tenslotte de gerichte scholings- en netwerkbijeenkomsten. ‘De combinatie van scholing en netwerken en resultaatgerichtheid, dat zijn ingrediënten voor succes.’
Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden 17 december 2007
|
|