Succesfactoren van Zo Leer je Kinderen Lezen en Spellen
Klassikale instructie, lezen en spellen tegelijk aanleren en leesdeskundige leerkrachten. Dat zijn de belangrijkste voorwaarden voor goed leren lezen en spellen, zegt professor Anna Bosman.
Dr. Anna Bosman is sinds november 2007 hoogleraar bij de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zij concentreert zich op de dynamiek van leerprocessen van kinderen en jeugdigen met leer- en ontwikkelingsstoornissen. Samen met orthopedagoog José Schraven onderzocht zij welke kenmerken voor het leesonderwijs van cuciaal belang zijn. José Schraven ontwikkelde de methodiek Zo leer je kinderen lezen en spellen (ZLKLS) om kinderen in het speciaal basisonderwijs te leren lezen en spellen. Kern hiervan is de preventieve instructietechniek. Op een gerichte en voorspelbare manier letters en woorden aanbieden voorkomt leesachterstanden. De aanpak is bij alle leesmethodes te gebruiken. Tegelijk biedt de methodiek een theoretisch kader van het leren lezen. Bosman betrok drie scholen voor speciaal basisonderwijs bij het onderzoek, één met leesonderwijs volgens de aanpak-Schraven, en twee controlegroepen. Resultaat: op de ZLKLS-school haalden de kinderen aan het eind van groep 3 citoscores die vergelijkbaar zijn met een reguliere basisschool. Wat zijn volgens Anna Bosman de succesfactoren van goed leesonderwijs?
Verwarring ‘De scholen zijn in verwarring over het leesonderwijs. Dat komt doordat de deskundigen niet allemaal dezelfde richting aangeven, maar ook doordat we geloven in wat we zelf doen. Alles wat je zelf doet is beter. Leerkrachten zien dat de kinderen vooruitgaan door hun aanpak. De vraag is: is dit ook de meest efficiënte aanpak? Het kind heeft leren lezen, maar had dat ook in minder tijd gekund?
M-m-k-m ‘Er is veel onzin in omloop over leesonderwijs. De Inspectie wil bijvoorbeeld dat de hele methode wordt doorgewerkt, dat niets mag worden overgeslagen. Dat is lang niet altijd efficiënt. Sommige dingen hoef je niet steeds opnieuw te doen. Sommige oefeningen slaan ook nergens op. Een ander voorbeeld is dat je kinderen niet teveel tegelijk mag aanbieden. We leren kinderen m-k-m woorden, bijvoorbeeld met de letters s, t, i, en k. Dan kan het sik maken, en tik, maar ook stik. Dat is een m-m-k-m woord. Kinderen kunnen dat best. Voorzichtig aanpakken heeft juist een remmend effect. Je moet kinderen uitdagen.
Wat werkt ‘José Schraven heeft haar methodiek ontwikkeld op basis van haar ervaring met wat werkt en wat niet in het speciaal basisonderwijs. Alle ballast uit de methode laat ze weg. Ze introduceert gerichte oefeningen met klanken en letters. Haar aanpak is heel precies. Maar het vraagt wel van de leerkracht dat ze kennis heeft van het systeem, van hoe kinderen leren lezen. Ze moet haar aanpak kunnen aanpassen bij de methode en bij de ontwikkeling van de kinderen.
Frontaal ‘Bij leesinstructie werkt de frontale klassikale aanpak het beste. Het geeft rust in de klas. Alle kinderen kunnen de juf zien. De juf doet nieuwe woorden langzaam voor. Heel nadrukkelijk langzaam uitspreken wat er staat. Kkk-iiii-ppp. Dan laat je het de kinderen uitspreken. Alle kinderen doen mee. Kinderen die toe zijn aan m-m-k-m woorden laat je die langzaam uitspreken. Zo kun je differentiëren, en het is een voorbeeld voor de kinderen die er nog niet aan toe zijn. Sommige kinderen gaan als een speer. Het is de kunst voor de leerkracht om die kinderen op een hoger niveau aan te spreken. Dat kan alleen als de leerkracht goed weet hoe het systeem in elkaar zit.
Vaste volgorde ‘Belangrijk is ook dat je oefeningen aanbiedt in een vaste volgorde. Eerst synthetiseren, klank-letter-koppeling maken, uitleg geven over de letters, dan woorden lezen. Iedere dag hetzelfde. Geen verrassingen. Voor de leerkracht lijkt dat saai, maar voor de leerlingen geeft het houvast. Maar soms kun je best zeggen: ‘We hebben nu zo hard gewerkt, we gaan het vandaag eens anders doen.
Kring ‘Om half negen beginnen met een kring is jammer van de tijd. Het is het moment waarop kinderen het beste leren, en dan moeten ze naar elkaars verhalen luisteren. Dat is echt niet zo interessant. Een kring werkt beter als je het toepast bij voorlezen, later op de dag. En dan de kinderen betrekt bij het verhaal.’
Woordenschat ‘Voor kinderen van Nederlandssprekende ouders is expliciet aandacht voor woordenschat niet nodig. In de meeste gevallen hebben kinderen voldoende woordenschat om een tekst te kunnen lezen. Wat wel nodig is, is dat de leerkracht het signaleert als een kind een woord uitspreekt dat het niet kent. Dat kun je horen aan de manier waarop het kind het woord leest. Dan moet het natuurlijk worden uitgelegd. Voor kinderen die thuis geen Nederlands spreken is het wat anders. Daar heb ik geen onderzoek naar gedaan, dus daar doe ik geen uitspraken over.’ *)
Lezen en spellen ‘Bij Schraven is de essentie dat lezen en spellen samen worden opgepakt vanaf dag één. Dat moet tegelijk, dan leggen kinderen de verbindingen beter. Je ziet een woord, je hoort de klank, je gebruikt je motoriek om het letterteken te schrijven Ook als de motoriek nog niet zo sterk is. Alles wat je leest moet je ook kunnen schrijven. Op die manier besteed je niet meer tijd aan lezen en spellen dan andere scholen. De schrijfkwaliteit bij de controlescholen was een stuk slechter dan op de school waar ZLKLS werd toegepast.
Leren leren lezen ‘De kennis over hoe we leren lezen is aan het verdwijnen. Op de pabo’s is meer aandacht voor kinderliteratuur dan voor de kunst van het leren lezen. Hier zou een slag gemaakt kunnen worden, door aankomende leerkrachten te leren hoe ze moeten leren lezen. Het beste is als ze zelf van voren af aan beginnen te lezen, zodat ze het hele systeem doorploegen. Omdat de initiële opleiding dit niet goed aanpakt, zouden leerkrachten eigenlijk massaal moeten worden bijgeschoold. Dat zou kunnen door de intern begeleiders te trainen, die zouden dan op de scholen de leerkrachten kunnen bijspijkeren. Een knelpunt dat ik hierbij signaleer is dat veel leerkrachten niet erg gemotiveerd lijken. Dan nemen ze wel deel aan een cursus, maar bereiden zich daar slecht op voor, zodat ze er veel minder van profiteren dan mogelijk is. Die tegenzin is wel een beetje begrijpelijk. Het had ze gewoon op de pabo geleerd moeten worden. Maar de motivatie voor aanvullende scholing moet wel verbeteren, bijvoorbeeld door een bonus toe te kennen bij het halen van een certificaat.
In de praktijk ‘Met de theorie alleen ben je er niet. Je moet er in de praktijk mee oefenen. Je leert bij in de praktijk, je komt dan ook dingen tegen die je uitdagen om je verder te scholen. Na een jaar of anderhalf kun je deze aanpak soepel toepassen.
Schoolleider ‘De belangrijkste rol van de schoolleider bij het leesonderwijs is knopen doorhakken. Als een leerkracht van groep 3 volgens de aanpak ZLKLS aan de slag wil, kan ze te maken krijgen met weerstand bij leerkrachten van groep 4 en 5, die dan hun aanpak ook moeten veranderen. In dat geval moet de schoolleider ingrijpen.’
*) Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden heeft hierover een andere opvatting. Ook kinderen van Nederlandstalige laag opgeleide ouders hebben vaak een beperkte woordenschat. Zie ook de paper van Kees Vernooy 'Een goede woordenschat'.
Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden, 19 februari 2008
|
|