Workshop Samen bouwen aan taalbeleid
De Taaltoren. Verslag van de workshop Samen bouwen aan taalbeleid
De leerkracht moet in iedere les een eigen doorgaande leerlijn creëren, is de opvatting van Marianne Verhallen. Van woordenschat via mondelinge interactie naar lezen – technisch en begrijpend – en ten slotte naar zaakvakonderwijs. Een succesvolle schoolloopbaan is het doel.
Op de driedaagse conferentie in Lunteren geven Marianne Verhallen en Dirkje van de Nulft maandag 17 maart 2008 een workshop over het opstellen van een taalbeleidsplan dat door het hele schoolteam wordt onderschreven.
Taalbeleid Taalbeleid is een structurele strategische visie van een schoolteam op de wijze waarop de onderwijspraktijk aangepast wordt aan de leerbehoeften van de leerling met als doel het verbeteren van het schoolsucces van die leerling, citeert Marianne Verhallen in haar workshop de Belgische taalwetenschapper Kris van den Branden. ‘Taalbeleid is probleemgestuurd’, licht ze toe. ‘Het gaat erom te voorkomen dat taalzwakke leerlingen problemen krijgen.’
Draagkracht Hoe belangrijk het is dat alle leerkrachten die visie delen en dragen laat ze zien aan de hand van onderzoek uit de Verenigde Staten. Bij een gemiddeld bedrijf weet maar 37 procent van de werknemers wat het doel van het bedrijf is. ’63 procent weet het dus niet!’ Twintig procent ziet een relatie tussen dit doel en de eigen taak (viervijfde dus niet!) en maar dertien procent werkt samen met andere medewerkers. ‘Hiermee zou een voetbalteam niet ver komen.’
Brede visie Ook een brede visie is nodig. Taal wordt te vaak in hokjes onderverdeeld: spelling, lezen, woordenschat. Bovendien moeten alle vakken geïntegreerd worden in taalonderwijs, ook wereldoriëntatie en muziek. Dat mag niet van de Inspectie, is de reactie van een van de deelnemers. Die kijken apart. ‘De Inspectie zou beter moeten weten’, antwoordt Verhallen. Ze raadt iedereen aan inspecteurs te verwijzen naar het rapport van de WRR ‘Nieuwe kansen voor taalonderwijs aan anderstaligen’. Hierin wordt een brede visie op taalonderwijs bepleit. ‘Dat advies is overgenomen door het kabinet.’
Samenhang De samenhang is nog wel eens een knelpunt in taalbeleidsplannen, weet Verhallen. Vaak zijn leerkrachten met losse doelen bezig en heeft niemand meer overzicht over het geheel. Daarom laat ze de deelnemers in een vragenlijst scoren hoe het er op de eigen school uitziet: is er sprake van een breed gedragen en duidelijk geformuleerde visie op taalonderwijs? Weet iedere leerkracht dat er een taalbeleidsplan is? Weet iedere leerkracht wat aan het eind van groep 8 gerealiseerd moet zijn? Weet iedere leerkracht wat de eigen bijdrage daaraan is? kent de leerkracht de leerlijnen en onderschrijft zij die?
Taalbeleid in één dag ‘Het ontwikkelen van een taalbeleidsplan wordt gezien als een moeizaam en tijdrovend proces,’ zegt taalonderzoeker en –trainer Mariannne Verhallen. Volgens haar kan het in een dag met de Taaltoren. ‘Het is wel een lange dag’, waarschuwt ze. ‘Van ‘s morgens negen uur tot ‘s middags half zes ben je bezig. Maar dan heb je een plan dat teambreed en samenhangend is.’
Taaltoren In de twee uur durende workshop krijgen de deelnemers inzicht in wat een dagje Taaltoren zoal inhoudt. Met gekleurde blokjes maken de deelnemers een toren. In de subgroepjes ontstaat discussie: moet je in de onderbouw naast woordenschat en mondelinge interactie niet ook al aan geletterdheid doen? En daar doe je toch ook een soort wereldoriëntatie? En we moesten toch integreren? Zodat de meeste toren een veelkleurig geheel worden, waarbij in iedere laag alle kleuren vertegenwoordigd zijn.
Woordenschat Maar we moeten prioriteren, zegt Verhallen. Niet alles kan tegelijk. Woordenschat ligt aan de basis van alles. Een woord kunnen lezen is nog iets anders dan het ook begrijpen. Leerkrachten worden met oefeningetjes gevoelig gemaakt voor deze zienswijze. ‘Een kind leert niks als het niet weet wat een woord betekent! Het uitleggen van woorden voegt iets toe aan de betekenisopbouw, invuloefeningetjes helpen daar niet bij.’
Mondelinge interactie Mondelinge interactie is de volgende basale bouwsteen. ‘Daarbij gaat het om het verdelen van beurten. Geef je vooral taalvaardige kinderen een beurt of zorg je dat taalzwakke ook aan bod komen?’ Ter illustratie laat Verhallen een video zien waarin een kleuterjuf in een betekenisrijke omgeving het woord ‘ei’ uitlegt. Hoewel ze ruimte maakt voor de eigen inbreng van de kinderen, blijkt dat het toch vooral het taalvaardige jongetje is dat de meeste aandacht krijgt en zelfs hij heeft eigenlijk niets nieuws geleerd, alleen laten zien wat hij al weet.
Leerlijn Na woordenschat en mondelinge interactie komt pas het leren lezen, zowel technisch als begrijpend. Daarna komt pas de integratie met zaakvakonderwijs. Bij integratie en doorgaande leerlijn moeten we ons niet focussen op onderbouw of bovenbouw. Het gaat om de les. De leerkracht maakt haar eigen doorgaande leerlijn. Ook in de les moet de leerkracht eerst aan woordenschat doen: kennen de leerlingen de belangrijke woorden die in deze les aan de orde komen? Ook in de les moet de leerkracht ruimte maken voor de eigen inbreng van kinderen, ook de taalzwakke. Daarna komen lezen en wereldoriëntatie.
Confronterend ‘De Taaltoren kan confronterend zijn’, zegt Verhallen. ‘Leerkrachten komen erachter dat er het een en ander ontbreekt in hun kennis van taalleesonderwijs of dat zij tekortschieten in didactische vaardigheden.’ Het is daarom belangrijk om het goed te begeleiden, en het niet bij een dagje Taaltoren te laten. Meestal volgt er een nascholingsprogramma.
Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden, 18 maart 2008
|
|