Basisonderwijs  
Taalpilots
Workshop 9: Taalontwikkelende interactie

Workshop van basisschool De Taaltuin in Schiedam

Een belangrijke voorwaarde voor goed taalleesonderwijs is de houding van de leerkracht. Die moet gericht zijn op taalontwikkeling, vindt het team van basisschool De Taaltuin in Schiedam.

Op drie pijlers berust het taalleesonderwijs in De Taaltuin: woordenschat, intensief leesonderwijs en de houding van de leerkracht. Het laatste is cruciaal, vertelt Betty van Dam, directeur van basisschool De Taaltuin en taalkundige, in haar workshop. Deze houding moet gericht zijn op ‘taalontwikkelende interactie’. Dat is vooral van belang voor de aan De Taaltuin verbonden schakelklas, maar ook de leerkrachten van de andere groepen hebben deze houding.

Mondeling taalgebruik
Mondeling taalgebruik komt voor schriftelijk taalgebruik. Daarom moet de leerkracht taalgebruikssituaties creëren. Betty: ‘Er is nog steeds veel schriftelijke verwerking, maar het leren van een taal begint met praten.’ De leerkracht moet daarbij goede feedback geven. ‘Ook op de vorm, dus als het kind niet het goede woord gebruikt of de verkeerde vorm ervan, moet je het verbeteren. Niet gaan interpreteren wat het kind wel zal bedoelen, maar net zolang doorvragen en helpen tot het kind verstaanbaar zegt wat het wil zeggen.’

Koppeling
Technisch, begrijpend en belevend lezen moet een geheel zijn, niet verkokerd. Volgens Betty van Dam loopt het steeds verder uiteen: in groep 3 gaat het om technisch lezen, in groep 8 om begrijpend lezen. ‘Maar vlot technisch lezen is iets anders dan verklanken. Je moet ook begrijpen wat je leest. En kinderen vinden begrijpend lezen op zichzelf vaak niet leuk. Je moet het aantrekkelijk maken, leesplezier is belangrijk.’

Bewust een taal leren
Het geven van feedback op mondeling taalgebruik maakt dat kinderen zich ervan bewust zijn dat ze een taal leren. Niet-Nederlandstalige kinderen leren de taal door middel van de leerstof. ‘Je kunt als leerkracht de eigen taal vergelijken met de Nederlandse taal. En geef aan op welk niveau de kinderen het Nederlands beheersen. Dat stimuleert. Wie een vreemde taal leert, wil weten hoe goed het gaat’, zegt Betty van Dam.

Functiewoorden
Het is daarbij belangrijk niet alleen concrete begrippen aan te leren, maar juist ook functiewoorden: bijwoorden, voegwoorden, en verwijswoorden. ‘Taalriedelen’ is daarvoor zeer geschikt. Betty doet het voor. Ze klapt ritmisch in haar handen en zegt: ‘Dit is een boek’. ‘Dit is een boek’, zegt de groep haar na. ‘En dat is een raam’. De groep echoot: ‘En dat is een raam.’ Door dat ‘riedelen’ met verschillende voorwerpen te herhalen wordt het gebruik van de functiewoorden ‘dit’ en ‘dat’ geleerd. De functiewoorden oefent De Taaltuin aan de hand van een poster van het Posterproject. Op dertig posters worden de meest frequente functiewoorden behandeld.

Nuttigste voorwerp
‘Functiewoorden leren we aan binnen een thema’, zegt Betty. ‘Bijvoorbeeld het nuttigste voorwerp in huis. We laten kinderen vertellen over het voorwerp wat thuis het nuttigst is. Dat doen we met de wie-wat-waar-wanneer-waarom-methode: wie gebruikt het, wanneer, et cetera. Daar kun je de ouders ook goed bij betrekken.’

Ouders
Want dat is een ander belangrijk aspect van De Taaltuin: de ouderbetrokkenheid. Aan de Taaltuin is een schakelklas verbonden. De schakelklas loopt parallel aan groep 5. Aan het eind van het jaar stromen kinderen door naar groep 6. De ouders van de kinderen in de schakelklas worden om de zes tot acht weken op een ouderavond verwacht. De leerkracht van de schakelklas, Saskia Berkhout, vertelt hoe zo’n avond is georganiseerd. ‘We laten foto’s zien van hun kinderen, dat is altijd een succes. Vervolgens laten we ze zelf aan de slag gaan met de materialen die we in de schakelklas gebruiken, in een circuitmodel. Tenslotte geven we aan wat ze zelf kunnen bijdragen, zoals samen met de kinderen naar het Jeugdjournaal kijken en naar Klokhuis.’

Garage
Ook schakelt Berkhout ouders in voor excursies. ‘Er is een grote schaamte bij ouders vanwege hun cultuur, of hun beperkte kennis van het Nederlands. Ook schamen kinderen zich soms voor hun ouders. Dat draaien we om. Een vader van een meisje heeft een garage, daar zijn we met de klas naartoe gegaan. Deze vader spreekt slecht Nederlands, maar de excursie was een groot succes en het werkte statusverhogend voor het meisje.’ Belangrijk in het contact met ouders is om goede opdrachten te geven, zoals ‘het nuttigste voorwerp’. Lesjes meegeven werkt niet, zegt Saskia.

Leesplezier
Intensieve leesbegeleiding is essentieel voor zwakke lezers, vertelt Betty. ‘Voorlezen, leesestafette, maatjeslezen. Leerlingen van het gymnasium hebben een ‘maatje’ in onze schakelklas in het kader van de maatschappelijke stage. Dat werkt goed.’ Ook het delen van je eigen leesplezier werkt goed. ‘En geen samenvattingen of leesverslagen laten maken!’ Verder is het belangrijk om doelen te stellen, ook op de korte termijn: wat wil je vandaag bereiken?

Beknibbelen
Een deelnemer wil weten of er niet beknibbeld moet worden op andere vakken bij dit intensieve leesonderwijs. Saskia legt uit dat dat meevalt. ‘W grijpen de zaakvakken aan voor taalonderwijs. In de schakelklas werken we zonder methode, we maken zelf materiaal. Een vak als rekenen is ook talig.’

Wegzakken
Een andere deelnemer vraagt zich af of het geleerde beklijft. Vaak zie je de resultaten toch weer afnemen als een kind in een hoger leerjaar komt. Betty: ‘Ze zijn in ieder geval beter toegerust voor groep 6. Bepaalde aspecten van de schakelklas brengen we ook in de andere groepen in. We consolideren woorden door de zaakvakken in blokken aan te bieden. Dus niet iedere dag een uurtje geschiedenis of aardrijkskunde, maar drie weken achter elkaar een onderwerp van geschiedenis of aardrijkskunde of natuur. Dan kun je alles goed visueel maken, verteltafels inrichten enzovoort. Je moet niet teveel thema’s tegelijk naast elkaar laten lopen.’

Eigen taal ook
Bij leerlingen met een andere thuistaal verloopt de taalverwerving anders dan bij autochtone leerlingen. Dat moet de leerkracht zich goed realiseren. Eigenlijk moet iedere leerkracht van een ‘zwarte’ school een taalleerkracht zijn, vindt Betty. ‘Het is belangrijk dat je een relatie legt naar de moedertaal. Vroeger mocht dat niet, moest alles in het Nederlands. Tegenwoordig vinden we dat de ouders gewoon in de eigen taal met hun kind moeten communiceren.’ De talen mogen niet door elkaar worden gesproken. ‘Het kind moet de kans krijgen verschillende registers aan te maken. Dus aan tafel praten we Turks, op straat praten we Nederlands. Zo leert het twee talen goed spreken. Dat moet je ook met de ouders bespreken, het is soms verleidelijk om even een woord uit de andere taal te gebruiken.’

Pilots Taalbeleid Onderwijsachterstanden, 27 mei 2008


© Projectbureau Kwaliteit | Disclaimer | Contact